In de afgelopen zes jaar heeft Nederland slechts twee jaar een regerend kabinet gehad. Veel belangrijke dossiers zijn daardoor blijven liggen. Neem het enorme woningtekort, waardoor jongeren jarenlang wachten op betaalbare woonruimte. Of ondernemers die bij een aanvraag voor een nieuwe aansluiting op het stroomnet steevast een harde ‘nein’ krijgen, vanwege capaciteitsproblemen.
Het is daarom goed dat Nederland straks weer een kabinet heeft dat knopen wil doorhakken. Al hebben ze daarvoor steun nodig, van binnen én buiten de politiek.
Het nieuwe kabinet heeft namelijk geen meerderheid in het parlement. Dat betekent dat het kabinet-Jetten voor ieder besluit steun moet zoeken bij de oppositie. Op het eerste gezicht lijkt dat geen recept voor stabiliteit. Cynici voorspellen dan ook dat een minderheidskabinet nooit kan werken.
Ik zie vooral kansen. Omdat een minderheidskabinet voor elk besluit op zoek moet naar steun, zal het goed rekening moeten houden met de belangen van de oppositie. Eigenlijk een must voor ieder kabinet, dit is immers de kern van een democratie.
Het kabinet-Jetten I wil bovendien nadrukkelijk steun zoeken buiten de politiek en het gesprek aangaan met vakbonden en werkgevers om tot breed gedragen akkoorden te komen. Het befaamde Nederlandse poldermodel biedt daarvoor uitkomst. Dat vraagt wel een constructieve houding van oppositie, vakbonden werkgevers. De Nederlandse werkgevers zijn in ieder geval bereid dat gesprek aan te gaan en verantwoordelijkheid te nemen voor oplossingen en draagvlak.
Een breder mandaat creëert ook meer stabiliteit. Als meerdere partijen van verschillende politieke kleur besluiten dragen, is de kans kleiner dat beleid na verkiezingen weer radicaal wordt omgegooid.
Zo kan een minderheidskabinet bijdragen aan een breed gedeelde wens vanuit bedrijfsleven en samenleving: stabiel en voorspelbaar beleid. Dat is cruciaal voor investeringen.
Investeren is het sleutelwoord voor de komende jaren. We staan voor ingrijpende transformaties: op gebied van digitalisering, de energietransitie en het versterken van onze defensie en veiligheid.
Om de economie en samenleving toekomstgericht te maken, zijn forse investeringen nodig. Van de overheid en van bedrijven, die daartoe wel in staat moeten worden gesteld.
Een recent rapport van oud-ASML-topman Peter Wennink laat zien dat private investeringen in Nederland kunnen aantrekken, mits de randvoorwaarden op orde zijn. En die investeringen zijn essentieel voor ons toekomstige verdienvermogen. Driekwart van alle investeringen komt uit het bedrijfsleven. Om ons zorgpersoneel, politie, onderwijzers en militairen ook in de toekomst te kunnen blijven betalen, moet dat verdienvermogen groeien.
Cruciaal is ook dat Nederland productiever wordt en voldoende innoveert. Dat vraagt om forse hogere investeringen in kennis en innovatie. En precies op dat vlak kunnen we van onze oosterburen leren.
De coalitie van Friedrich Merz kondigde vorig jaar miljardeninvesteringen aan in groei en innovatie, terwijl ook het Duitse bedrijfsleven een investeringsimpuls van 600 miljard euro aankondigde. De Bondsregering nam bovendien het historische besluit om de ‘Schuldenbremse’ los te laten en gaat daarmee zelfs verder dan haar Nederlandse collega’s.
In het Nederlandse coalitieakkoord zijn op dit vlak stappen gezet, zoals een nieuwe investeringsinstelling en een aangepaste begrotingssystematiek waarbij meevallers deels worden ingezet voor versterking van het verdienvermogen. Toch blijft het begrotingsbeleid traditiegetrouw wat zuinigjes.
Naast van elkaar leren, moeten Nederland en Duitsland ook samen optrekken. In geopolitiek onrustige tijden kunnen onze landen niet zonder een sterk Europa. Het versterken van de Europese concurrentkracht is daarom een gezamenlijke prioriteit. Die begint met het voltooien van de interne markt, waar belemmeringen volgens het IMF gelijkstaan aan een tarief van 44 procent. Daar hebben we geen Amerikaanse president voor nodig, dat doen we onszelf aan.
Europa zal verder meer haar eigen koers moeten varen in de wereld. De recent afgesloten handelsverdragen met de Mercosur-landen en India helpen daarbij. Wel kunnen we ons bij de ratificatie en implementatie geen grote vertraging veroorloven, zoals nu bij het Mercosur-verdrag dreigt te gebeuren.
2026 kan het jaar worden van de grote doorbraken. In Nederland, Duitsland en Europa. We weten wat daarvoor nodig is. Maar zoals Goethe al zei: willen is niet genoeg, we moeten doen.
Dus aan de slag. An die Arbeit!
Tekst: Hendrike Oosterhof